Bouwman

Arien Maertensz Bouwman

De naam Bouwman werd in de jaren voor en rond 1600 vaak onofficieel gebruikt door personen die van beroep landbouwers (bouwmannen) waren. Het eerste voorkomen van de naam Bouwman onder onze voorouders is in de naam van Arien Maertensz Bouwman. Hij was woonachtig in Streefkerk en vermoedelijk ook bouwman van beroep.

Officiele naam Bouwman

In een Bijvoegsel tot de Registers van den Burgelijken Stand de Gemeente Streefkerk van 5 mei 1826 is de achternaam (vanaf 1812 verplicht) Bouwman van onze voorouders echter officieel vastgelegd:


Bijvoegsel tot de Registers van den Burgelijken Stand de Gemeente Streefkerk over den Jare 1800 Zes en Twintig:

Akte No.1
Op heden den Vijfden Mei Achttien honderd zes en twintig, des voormiddags ten tien uur is voor Eliza Vonck, Burgemeester ambtenaar van den Burgelijken stand de gemeenste Streefkerk, in tegenwoordigheid van Willem van Erk, Broodbakker, oud dertig Jaren, beide wonende alhier, als getuigen hiertoe verzocht, gecompareerd.
Klaas Bouwman, Bouwman van beroep oud vijf en veertig Jaren wonende alhier, te kennen gevende, dat in den Jare 1800 en twaalf, door hem de geslachtsnaam van BOUWMAN is aangenomen, en sedert dien tijd ook alzoo door hem is gevoerd geweest.
Verklarende den Komparant als nu, te voldoening aan Zijner Majesteits Besluit van den achsten November 1800 vijf en twintig No. 74 daarbij te volharden, en mitsdien zoo voor zich, als zijne thans in level zijnde kinderen, en verdere nakomelingen, den geslachtsnaam BOUWMAN te willen behouden.
En heeft den Komparant, met beide
getuigen deeze akte met ons na gedane
Voorlezing geteekend.

De Burgemeester Ambtenaar
van den
Burgelijken Stand

Eliza Vonck
Klaas Bouwman
Willem van Erk
J.F. Boers


De akten no. 2, no 3 en no 4 waren identiek alleen met de namen: Maerten Bouwman, Cornelia Bouwman en Cornelia Boele (weduwe van Zeger Ariensz Bouwman).

Meerkerk

Cornelis Jansz

Ds. Adrianus van Cruyskercken van Bleskensgraaf hield nauwkeurig zijn lidmatenboek bij. Op een zeker moment vinden we hierin de volgende aantekeningen:

Cornelis Jansz, den 23 October 1686 ol.
Neeltien Aertsd, obijt.
Emmichien Cornelisd, den 18-12-1682 na Werkendam.

Het gaat hier over Cornelis Jansz. Meerkerck, die dus op 23 october 1686 te Bleskensgraaf is overleden, zijn vrouw Neeltje Aertsd van de Graeff, die ook overleden is (obijt=overleden), en dochter Emmichien, die in 1682 naar Werkendam is vertrokken. Deze Cornelis Jansz is de oudste met zekerheid bekende voorvader van het geslacht Meerkerk. Hij woonde in Bleskensgraaf. Helaas gaan het doopboek en trouwboek van deze gemeente niet verder terug dan 1674.

Uit de genoemde akte blijkt dat Cornelis Jansz kuiper van beroep was. Een kuiper was een ambachtsman, die vaten maakte voor wijn en bier. Hij leefde in een tijd dat het dragen van een achternaam nog lang geen gemeengoed was. Heel vaak werd volstaan met het toevoegen van de naam van de vader (zgn. patroniem). Dus in dit geval Cornelis Jansz. Wanneer er echter meerderen waren in een plaats die dezelfde naam droegen werd soms wel een achternaam aangenomen, die dan ook nog wel eens veranderde. Pas in 1811, bij de invoering van de Burgelijke Stand, werden de achternamen verplicht en vastgelegd. Niet zelden werd de achternaam gekoppeld aan het uitgeoefende beroep.

Zo was het ook bij deze Cornelis Jansz. Soms komen we hem tegen als Cornelis Jansz (van) Meerkerck, maar even vaak als Cornelis Jansz Cuyper. Hij tekende ook afwisselend met een van beide namen. Pas in de volgende generatie werd de achternaam Meerkerk vast gebruikt.

Bron: "Meerkerk & Bongers, In de keten der geslachten" door J.Bouwman en J.Molenaar.

Halling

Mogelijke herkomst

Over het ontstaan van de familienaam Halling valt niets met zekerheid te zeggen. De naamsuitgang (ing) zou kunnen wijzen op een Saksische afkomst. De naam zou dan betekenen: "de mannen die bij de hallen, dat wil zeggen de overdekte verkoopplaatsen, woonden en er hun werk hadden."

Ook bestaad de mogelijkheid, dat de naam is afgeleid van de plaats van herkomst. Dit zou dan de plaats Halle kunnen zijn. Behalve de Belgische provincies Brabant en Antwerpen, waar respectievelijk een stadje en een dorp deze naam voeren, kent ook Duitsland een Halle, namelijk de hoofdstad van de tegenwoordige deelstaat Saksen-Anhalt. Deze oude universiteitsstad, ligt aan de Saale, een rivier die de Elbe voedt. De bakermat van de Saksische volkstam dus!

Merkwaardig is echter, dat in de provincie Oslo, ten noorden van de Hardangerfjorden, het Hallingsdal ligt. Bovendien ligt in Zweden langs het Kattegat, tussen Halsmdal en Gotenburg, een landstreek die Halland heet. Dit zou kunnen wijzen op een Noorse afkomst!

De noormannen deden in die jaren 800 tot 1000 ook hier hun invallen, waarbij zij zelfs door wisten te dringen to Wijk bij Duurstede. De mogelijk, dat er verschillende onder hen waren die zich blijvend hier gevestigt hebben moet geenszins uitgesloten worden geacht. Wanneer dan nog bedacht wordt, dat de noormannen ook wel Vikingen genoemd worden is de stelling: "een Noorman is de stichter van het geslacht Halling geweest", verdedigbaar. Dit zou dan een Viking uit Halland geweest kunnen zijn, die de naam Halling gekregen heeft of aangenomen heeft.

Wat hiervan waar is zal wel altijd in de nevelen van het verleden gehuld blijven. Zeker is, dat de familienaam Halling tot de oudste der in de procincie Zuid-Holland gevoerde namen gerekend kan worden.

Dordrecht

De oorsprong van het geslacht moet in Dordrecht gelegen hebben. In de "Beschrijvinge der Stad Dordrecht" van Matthijs van Balen, uitgegeven in 1677, is een geheel hoofdstuk aan het Dordtse geslacht van deze naam gewijd.

Uit deze beschrijving blijkt, dat reeds in een brief van de schepenen van Dordrecht uit het jaar 1240 gesproken wordt over een zekere Jakob Hallincg. Deze was gehuwd met Elisabet Jansd van de Merwede, en had 2 kinderen: Cleys (Klaas) en Christine.
De zoon Cleys maakte in 1270 deel uit van het college van schepenen der stad Dordrecht. Hij huwde met Cornelia Aarntsd van Egmond, uit welk huwelijk een zoon Jan geboren werd. Deze werd in het jaar 1294 weer genoemd als schepen de stad. Hij huwde Cornelia van Amerongen. Uit dit huwelijk werd een zoon geboren, welke de naam Willem kreeg.

Van Balen gaat zo verder met zijn nauwkeurige en uitvoerige beschrijving van alle leden van dit patriciersgeslacht tot het jaar 1674. Een reeks van mannen en vrouwen, die allen het hunne hebben bijgedragen bij het besturen der stad. Zoals in de meeste families, waren er ook hier wel eens kinderrijke gezinnen. Daar Dordrecht dan niet voor alle zoons een mogelijkheid to ontplooiing bood, trokken de jongeren soms naar een nabijgelegen dorp. Daar van Balen zijn overzicht aleen tot Dordrecht beperkte, is van deze zijtakken niets terug te vinden.

Hoewel daarvan uit zijn boeken niets blijkt, zal het waarschijnlijk een afstammeling van een van deze tijtakken geweest zijn die later naar Krimpen aan de Lek als woonplaats gekozen heeft.

Ook na 1674, het jaar waarin van Balen zijn overzicht afsloot, heeft het Dordtse geslacht zich nog bijna een eeuw weten te handhaven.
Met de dood van Mr. Johan Herman Hallincg, blajuw van Zuid-Holland, schepen, oudraad en gezworene van Dordrecht, stierf het op 9 april 1753 uit.

Interessant is nog, dat van Balen zijn beschrijving aanving met de aankondiging: "Het wapen van geslachte is een veld van goud, beladen met drie halve leeuwen van sabel (zwart); getongd en geklaud van keel (rood).

Jan Coensz

De eerste Halling over wie iets te vinden is is Jan Coensz. Hij is de stamvader van alle thans nog in de Krimpenerwaard woonachtige leden van de familie Halling.

Zijn naam komt voor het eerst voor in een akte uit het jaar 1619. Daar hij toen in elk geval meerderjarig moet geweest zijn, is zijn geboorte te stellen op omstreeks 1585-1590.